© Pexels, Tara Winstead

In een tijd waarin er steeds meer bewustwording is rond mentale gezondheid, lijkt het alsof gedrag sneller wordt omgezet in een diagnose, alsof we leven in een labelmaatschappij. Bovendien blijven psychologische en psychiatrische problemen elk jaar stijgen. Als we geloven dat we beter omgaan met mentale kwetsbaarheid, waarom gebeurt dat dan en waarom laten we het als maatschappij toe?

Het is opvallend hoe gemakkelijk gedrag tegenwoordig wordt gepathologiseerd, zonder voldoende rekening te houden met de grote verscheidenheid tussen individuen. We leven in een maatschappij waarin ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD en autisme een trend lijken. In mijn omgeving hoor ik deze stoornissen dagelijks ter sprake komen. Op school kennen klasgenoten elkaar stoornissen toe voor de grap. Termen als ‘autist’ of ‘bipolair’ worden zelfs als scheldwoorden gebruikt. Bovendien circuleren er op sociale media tal van video’s over die stoornissen, waarin vaak wordt gesteld: “Als je één van deze kenmerken vertoont, heb je waarschijnlijk ADHD of ASS.”  

De overtuiging leeft dat we aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt in de geestelijke gezondheidszorg, maar onze kijk op mentale gezondheid vertoont nog steeds opvallende gelijkenissen met hoe men er vroeger naar keek. Er hangt nog steeds een stigma rond mentale gezondheid, alleen hebben we het nu in een ander jasje gestoken. Wie afwijkt van de gangbare morele en sociale normen, wordt vandaag al snel als neurodivergent beschouwd, terwijl soortgelijk gedrag vroeger eerder bestempeld werd als waanzin of hysterie.

Filosoof Michel Foucault beschreef het concept van waanzin in zijn boek ‘Histoire de la folie’. In de zeventiende eeuw merkte hij namelijk een ommekeer in de perceptie van ‘anders zijn’. In de middeleeuwen werd afwijkend gedrag gezien als een teken van wijsheid of een bijzondere verbondenheid met het spirituele. Maar die kijk sloeg snel om. Er ontstond een grens tussen wat als normaal en abnormaal werd beschouwd. Wie niet voldeed aan de gangbare normen, werd als ‘abnormaal’ gezien en was dus ‘waanzinnig’. Die waanzinnige individuen werden opgesloten in instellingen en moesten worden gedisciplineerd tot “normale” burgers, zelfs wanneer dat gepaard ging met wrede en onmenselijke behandelingen. In de loop van de achttiende en negentiende eeuw gaat het een stapje verder en worden waanzinnigen als ziek bestempeld. De medische behandeling blijft disciplinerend, zodat mensen zich opnieuw gaan gedragen zoals maatschappelijk van ze wordt verwacht. Iets later worden hun gedragingen als symptomen gezien en ondergebracht in stoornissen, wat sterk aanleunt bij wat de DSM-5 vandaag tracht te doen.

Een sociaal construct

Vandaag de dag worden diagnoses gesteld op basis van DSM5, een handboek voor het classificeren van psychische stoornissen. Belgische psychotherapeut en onderzoeker Paul Verhaeghe gaf in zijn boek ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’ kritiek op dit systeem: de DSM-5 biedt volgens hem weinig ruimte voor de individuele variatie die in de praktijk voorkomt. Daarnaast stelt hij dat de symptomen slechts eigenschappen en gedragingen zijn die volgens de gangbare sociale normen te veel of te weinig optreden. De criteria die zouden vertellen of je een stoornis hebt, zijn niet medisch maar nog steeds zonder uitzondering sociaal. Vanaf dat je niet aan de sociale verwachtingen voldoet, heb je een brein dat ‘anders werkt’. Nu word je alleen niet opgesloten als je buiten de sociale normen valt, zoals vroeger wel werd gedaan, maar krijg je wel een label. Er wordt naar je gekeken alsof jij een probleem hebt en in sommige gevallen wordt er ook verwacht dat je er zelf mee aan de slag gaat, zodat je terug binnen het kader past van wat maatschappelijk aanvaard is.

Tegelijk worden er steeds meer mensen gediagnosticeerd. Psychische problemen lijken bovendien toe te nemen. Alleen al het feit dat het aantal mensen met een burn-out in België de pan uitrijst, signaleert dat er maatschappelijk iets grondig fout loopt. Maar daar staan we niet echt bij stil. In plaats daarvan richten we ons op het individu en gebruiken we onze kennis over stoornissen om te pathologiseren en niet om effectieve hulp te ontwikkelen.

Echter zouden we volgens mij alleen zo een halt kunnen toeroepen aan het stijgende aantal problemen.

“Het feit dat het aantal mensen met een burn-out in België de pan uitrijst, signaleert dat er maatschappelijk iets grondig fout loopt”

Of we ooit van de pathologiserende trend zullen afstappen, blijft de vraag. Het systeem dat wij zelf hebben gecreëerd, leidt tot een vast behandelingskader. Wat als ‘te veel’ wordt gezien, moet worden verminderd, en wat als ‘te weinig’ wordt beschouwd, moet worden versterkt - met impliciete maatschappelijke normen als maatstaf. Door gedrag steeds sneller te herleiden tot labels en diagnoses, reduceren we mensen tot categorieën en verliezen we uit het oog wie ze in hun geheel zijn. We willen het gedrag van anderen verklaren, zelfs wanneer dat hun vrijheid om zichzelf te zijn ondermijnt - en dat anno 2026. Onze manier van kijken naar mentale gezondheid staat niet los van de samenleving die we zelf vormgeven. Alleen als we bereid zijn minder te oordelen en meer te begrijpen, kunnen we vermijden dat pathologisering de plaats inneemt van oprechte betrokkenheid.

vorige